MIJN OMA UIT DE PERENSTRAAT

Op de trap naar haar portiek, blaas ik wolkjes adem uit. Ik bel aan en hoor hoe het touwtje dat aan het slot vast zit, wordt aangetrokken. De deur zwaait open en mijn zusjes en ik lopen de lange trap op naar boven, naar drie hoog, honderdzesenzestig III hoog, ik weet het precies. 

Zoals vertrouwd staat mijn tengere oma bovenaan de trap, haar smalle lippen vormen meestal een dun streepje maar laten nu een voorzichtig lachje zien, haar donkere ogen twinkelen achter haar gebrilde leesglazen. 

Ze heeft altijd een mooie jurk aan, het bijpassend dunne ceintuur strak gebonden om haar smalle middel. Ze draagt schoenen met een ronde neus, een kleine hak en een riempje met een gesp.

Terwijl ik naar boven loop, ruik ik haar tomatensoep. Iedere zondagmorgen trekt ze  deze soep op een gasstelletje in de keuken, die ze tot onze komst laat sudderen. In de gang is het net zo koud als buiten en word ik van de geur van de soep hongerig. 

De deur naar de huiskamer gaat open, binnen loeien de twee gaskachels, buiten en binnen is een wereld van verschil. 'T Beste ligt al op mijn vader te wachten op het ronde tafeltje naast zijn stoel in de achterkamer. 

'Papa komt zo,' zeg ik. 'Hij is bezig met parkeren.'

Snel gaat ze in de weer met de kopjes. De deur naar de hal gaat weer open en ik volg haar naar de keuken. 

'Wil jij draaien?' vraagt ze. 

Ik knik en begin aan de hendel van de koffiemolen te draaien, die aan de kast bevestigd is. Als het bakje vol zit, schuif ik het er voorzichtig af. Maar nooit kan ik voorkomen dat ik wat koffie op het grijs-granieten aanrechtblad mors. Ik kijk haar aan, ze heeft het gelukkig niet gemerkt. Dat zou ik zielig voor haar vinden, mijn oma heeft de oorlog meegemaakt en is heel zuinig. Ik veeg het weg met mijn mouw. Ze gooit de vers gemalen koffie in de koffiefilter. 

'Een schepje Buisman?' 

Ik knik en automatisch schuif ik het gordijn dat voor het keukenkastje hangt opzij en pak het blikje van de plank. 

'Een schepje is genoeg,' daarna gooit ze het kokende water in de koffiefilter. Langzaam druppelt de koffie in de koffiekan, waarvan de geur zich vermengt met de sterke tomatenbouillon die achter ons staat te pruttelen.

'Van de week was tante Ida uit Delft hier,' zegt ze tegen mijn vader. 'Ze deed in de spaarpotjes van de kinderen een riks.' Tante Ida is haar zus. Twee keer per jaar gaat ze met haar naar Delft om haar jurken te kopen.

Mijn vader knikt en leest verder in 't Beste terwijl mijn oma een borduurwerkje om handen heeft. Af en toe zegt ze iets en mompelt mijn vader iets terug. Mijn zusjes en ik mogen niet in dezelfde kamer zitten als mijn vader en mijn oma. Zij zitten in de achterkamer en wij in de voorkamer. 

Mijn oma is lief. Ze legt altijd een puzzel voor ons klaar en een borduurwerkje. We mogen mijn vader dan niet storen. Hij heeft heel druk werk en hij heeft rust nodig, zegt mijn oma.

Hoewel ze klein van stuk is, is ze oersterk. Ze draagt al haar boodschappen zelf de trappen op. Ze heeft geen makkelijk leven gehad. Toen haar moeder stierf, was zij de oudste van een boerengezin en moest zij van school en moest zij voor het huishouden zorgen. Later werd ze verpleegster. Mijn joviale opa die bij haar in het ziekenhuis lag, werd op slag verliefd op haar. Ik denk vanwege haar prachtige donkere amandelvormige ogen.

Tijdens de oorlog verloor mijn oma een kind. Hij was toen nog maar drie jaar. Jaapje heette hij, het jongere broertje van mijn vader. Thuis mocht er nooit meer over hem gesproken worden. Ik wist zeker dat dat de reden was dat mijn oma altijd een beetje treurig keek. Ook al kreeg ze in totaal vier kinderen. En kreeg ze nog een jongetje, die weer Jaapje heette want dat wilde mijn opa graag.

Mijn oma verzamelde cactussen. Ze had cactussen in alle vormen en maten. In de achterkamer had mijn vader plankjes tussen de raamkozijnen getimmerd. Hierop stonden kleine cactussen in oranje en paarse plastic potjes. Het waren er wel honderd en ze moesten vaak afgestoft worden. Dat was een heel werk. Gelukkig hoefden ze niet al teveel water. 

In de voorkamer had mijn oma de grote cactussen staan. Er was er ook een uit Spanje bij, die wij voor haar mee hadden gebracht. Mijn moeder had ze tussen haar onderbroeken in haar koffer gestopt. Ze zweerde dat ze er jaren later nog steeds last van had.

Ook verzamelde mijn oma postzegels. Dat deed ze niet voor zichzelf. Nee, dat deed ze voor ons. Iedere maand kocht ze weer nieuwe Nederlandse zegels, die in een doorzichtig zakje zaten. Die moesten we er dan heel voorzichtig uithalen. Dat deed je met een pincet. Daarna deed je de nieuwe zegels in je eigen postzegel verzamelalbum. Ik had een felrode met een gouden posthoorn erop. De postzegels legde ik op volgorde van waarde. Het was een heel nauwkeurig werkje en ik deed vreselijk mijn best om ze zo mooi mogelijk in de richel te schuiven.

Ik snijd de oude kaas in blokjes, ik gooi een handjevol in de soep. Langzaam zie ik de kaas zacht worden. Mijn oma pakt een zakje uit de kast. Ik weet, dat zijn de balletjes voor in de soep. Deze balletjes vind ik het allerlekkerste. Ze gaan klein de soep in en in de soep worden ze groot.

Als we soep krijgen, gaan we bijna weer naar huis. Dan heeft mijn vader 't Beste uit en gaat hij uitgerust weer naar mijn moeder toe. Oma geeft ons altijd alledrie een gulden. De spaarpot blijft bij haar. 'Voor later,' zegt ze. Ze kijkt heel blij.