AIRBNB BAD & BREAKFAST

 

De zoete indringende geur van wiet krinkelt in de tuin van mijn buurman omhoog en bereikt mijn erf, mijn neus. Ik probeer net te doen alsof ik het niet ruik, alsof er niets aan de hand is en leg mijn hoofd weer op het ligbed. Joël heeft nergens last van. IJverig stopt hij voor de zoveelste maal het zand in zijn graafmachine en vult vervolgens de felgekleurde plastic vormpjes.

Af en toe verstommen de gesprekken hier zo vlak naast mij. Af en toe hoor ik hun grove lachen, hun grappen en andere uitingen.

Een uur geleden deed Joël voor hen open. Of wij de sleutel van hun huis hadden? Ik loog en gaf ontkennend antwoord, voordat ik het wist stond het zestal in mijn tuin en klom het bij mij over de schutting. Het hinderde niet dat ik de sleutel niet had, ze hadden de achterdeuren open laten staan.

Een aantal had rood doorlopen ogen van de drank, de joints en het slaapgebrek en vond alleen zijn weg over de schutting met behulp van de anderen.

De stank is niet te harden en ik vraag me af of dit nog wel verantwoord is voor mij of in ieder geval voor mijn driejarige kleuter. Misschien wordt hij ook wel zo en kan hij er maar beter aan wennen, denk ik cynisch. Maar tegelijkertijd pak ik hem op uit de zandbak.

‘Kom, gaan we samen televisie kijken,’ zeg ik. Hij kijkt me verbaasd aan. Vlug doe ik de deuren naar de tuin dicht en sluit ik de gordijnen voor het verblindende zonlicht.

Middenin de nacht word ik wakker van het harde gedreun op mijn voordeur. Ik knijp mijn ogen dicht en trek mijn dekbed over mijn hoofd. Het is hier alleen veel te warm voor.

'Kutwijf', hoor ik, 'stoephoer...’ Het raam staat open en ik hoor de woorden over straat galmen. Ze lachen hard, de brievenbus kleppert, nog een keer gebonk en gelach, daarna laten ze mij met rust.

De volgende morgen durf ik mij pas naar de voordeur te begeven als het licht is en er al een aantal mensen in de straat loopt. Hun pisgeur komt mij in de hal al tegemoet. Ze hebben het voor elkaar gekregen om mijn gang te bevuilen met hun vieze gore donkergele urine. Tranen springen in mijn ogen.

De politie bellen heeft geen zin. Ze zijn een keer langs geweest toen de overlast niet meer te houden was. De situatie escaleerde toen ze met tien rolkoffers het huis bezetten; het huis van mijn buurman is slechts voor vier personen ingericht. Tot vier uur 's nachts stond de muziek vol aan. Tien grote dronken opgeschoten jongeren, tuindeuren open en hun uitwerpselen in het portiek. Tegen de tijd dat de politie gearriveerd was, lagen ze in diepe rust.

‘We kunnen er alleen iets tegen doen als we bewijs hebben.’ Het excrement dat in ons portiek lag, kon immers van iedereen zijn.

Driftig begin ik mijn gang te soppen. Ik woon hier nog maar een jaar. Huis gekocht, verbouwd, veel zelf gedaan ook. Zo trots als een pauw was ik. Totdat mijn nieuwe buurman zich een half jaar geleden aan mij voorstelde. Een pied-à-terre, zo stelde hij het zich voor. Hij zou er niet zo vaak zijn. Of ik een oogje in het zeil kon houden voor het geval dat. Ik wierp een blik op zijn visitekaartje. Hans, vastgoedondernemer, woonachtig in New York.

Ik heb hem niet meer gezien, diverse malen bij hem ingesproken, hem gemaild echter niets meer gehoord.

Klachten ingediend bij Airbnb Inc, politie en gemeente. ‘We nemen uw klacht serieus en zullen deze onderzoeken.’ Ik werd van het kastje naar de muur gestuurd om vervolgens met lede ogen aan te zien dat de volgende bezoekers zich weer aandienden. Het had allemaal totaal geen zin.

Wanhopig maak ik de voordeur met een schuurmiddel schoon. Mijn buurman heeft de wettelijke verhuurtermijn van zestig dagen al lang bereikt. 175 Euro per dag vraagt hij, dat is meestal 17,50 per persoon. Mijn geluk heeft precies een half jaar geduurd…

Ik loop door mijn gang terug naar de keuken en mijn tuin op het zuiden. Het appartement in de Amsterdamse Rivierenbuurt waar ik ooit op slag verliefd op werd. Beter had ik het niet kunnen treffen, dacht ik toen. Ik zie mijn zoontje gelukzalig spelen op de rand van de zandbak. Hij kliedert met water en maakt hopen met modder.

Met een kop koffie loop ik naar buiten. Het is de start van een welverdiende vakantie en de weersberichten voorspellen niets dan goeds. De verbouwing kostte mij mijn laatste centen. Dit jaar vieren we thuis mijn verlof.

Mijn zoontje kijkt mij triomfantelijk aan. Nog een keer harkt hij door de geelgekleurde klodderige brei, die middenin zijn zandbak ligt.

'Stinkt', zegt hij vrolijk.

Mijn glimlach verstijft.

‘Kom, dan verkleden we ons en gaan we naar het Amstelpark, daar is je vader ook. Je mag dit weekend met hem mee.’ Ik ontdoe hem van zijn pyjama, die ik achter zijn rug om direct in de vuilnisbak gooi.

Aan het begin van de avond blijft het tamelijk rustig. Om een uur of elf begint alles weer van voren af aan. De tuindeuren gaan open, de bekende zoete weeïge geur, de luide lachsalvo’s vermengen zich met de harde muziek. Ik sta middenin mijn tuin en kan alleen maar voor mij uit staren.

Langzaam loop ik naar binnen en sluit beide deuren. Ik durf ze niet open te laten, zoals vorige zomer. Binnen wordt het snikheet.

Rond zeven uur 's morgens verstommen de geluiden. Twee keer hoor ik nog een deur slaan. Het gerinkel van glas op het terras, bierflessen die zo ver mogelijk de tuin in gemikt worden. Weer gelach, het slot van de  tuindeuren wordt omgedraaid, daarna is het stil.

Als ik zeker weet dat ze weer in comateuze toestand geraken, doe ik mijn voordeur voorzichtig open. Met mijn rechterhand pak ik de sleutel van de buurman van de haak. ‘Je weet maar nooit,’ zei Hans, ‘in geval van nood.’ Die zak gaf me nog een knipoog. Nu ben ik hem dankbaar.

De deur gaat gemakkelijk open en ik stap voorzichtig over een aantal schoenen en teenslippers, die her en der in de gang verspreid liggen. Een onbeschrijfelijke stank komt mij tegemoet. Als er een zelfstandig naamwoord voor ranzig zou bestaan, zou dit het enigszins kunnen benaderen. Voor deze stank bestaan geen woorden. Op mijn tenen loop ik naar de keuken en doe het raam daar dicht.

Alles wat hier staat, is van IKEA; ik was een half jaar geleden zelf getuige van het feit dat de montagedienst de meubels binnenbracht. De platen die aan de muren hangen, zoals de rode fiets tegen de brug aan de Amsterdamse gracht, zijn ook vreselijk herkenbaar.

Ik inspecteer de kamer, vier grote lijven op de banken, op de vloer. Een van hen ligt in zijn eigen braaksel, het heeft dezelfde kleur en dezelfde substantie als ik vanmorgen in de zandbak van mijn zoontje aantrof...

De rest van hen ligt vermoedelijk boven. Op mijn tenen loop ik de trap op. Nadat ik daar alle ramen open heb gezet, ga ik weer naar beneden. Ik steek een sigaret aan, ‘de laatste’ denk ik grimmig; het lijkt me wel toepasselijk. Ik neem een paar flinke trekken, op een of andere manier kalmeert het roken me, vervolgens leg ik de brandende sigaret op de poef. Het grote voordeel van dit soort goedkope meubelen is dat de gassen die bij verhitting vrijkomen niet alleen snel ontvlambaar en licht explosief zijn, maar vooral ook zeer giftig. Vanuit de deuropening zie ik dat de sigaret zijn werk doet. Dit gaat inderdaad niet lang meer duren, hooguit drie minuten schat ik.

Toe aan een sterke bak koffie trek ik even later de voordeur geruisloos achter mij dicht