VLUCHTELING

- IN MEMORIAM -

26 01 2017 - 26 01 2018

 

En dan springt hij… niet omdat hij dood wil. Nee, hij springt omdat in zijn toekomst geen plaats meer voor hem is.

Zodra hij het water raakt en zijn kleren langzaam maar zeker drijfnat om hem heen plakken, weet hij dat het einde in zicht is.

Hij gaat kopje onder, hij spartelt hevig met zijn armen zodat hij nog even boven komt. Hij ziet de mensen samendrommen, ze wijzen naar hem. Een vrouw schreeuwt en vraagt wanhopig waarom niemand wat doet. De groep haalt eensgezind de schouders op, langzaam verdwijnen zij als het water zijn gezichtsveld vertroebeld.

 

Het water is koud, kouder nog dan hij had verwacht. Het vult zijn neusgaten, zijn mond. Nee, nog een keer wil hij omhoog. Nog een keer wil hij de blauwe lucht aanschouwen, de zon, het leven, zijn leven…

Zijn benen spartelen, zijn armen zwaaien. Angstig en met bonkend hart komt hij boven. Het water prikt in zijn ogen, verbaasd proeft hij zijn zoute lippen.

Vaag hoort hij een sirene, een plons vlak naast hem. Kleren en schoenen voelen zwaar, te zwaar en trekken hem weer terug de diepte in. Voor de laatste keer haalt hij adem.

 

Hij was naar Europa gereisd om zich te verenigen met zijn familie, om een beter leven te krijgen. Hij had jaren gespaard en het was hem gelukt, de overtocht was relatief eenvoudig geweest.

Na twee jaar ontberingen deelde het kamp hem mee dat hij mocht blijven. Hij kreeg een vergunning en ze lieten hem vrij.

Vrij…, in het begin zo gelukkig als een kind. Maar dit geluk bleek slechts een illusie toen hij keer op keer de banen aan zijn neus voorbij zag gaan. Hij was hun taal niet machtig.

Hij reisde per trein af naar het noorden zodat hij zich bij zijn familie kon voegen. Hij raasde langs de grote witte bergen, die hem van een afstand koeltjes bekeken. Spanning, hoop en vrees wisselden elkaar af. Het gaf hem een warm broeierig gevoel, van de kou merkte hij niets.

 

De man in uniform legde een hand op zijn schouder en duwde hem terug. Hij vergezelde hem tot zijn zitplaats. Er werden geen woorden uitgewisseld, de man volstond met een korte knik.

Langzaam voelde hij hoe de extreme kou zich van hem meester maakte en hoe de spanning, de hoop en de vrees, die hij zojuist nog had gevoeld, bevroren.

 

Aangekomen op de Ferrovia in Venetië zeeg hij neer op de grijze trappen, waar hij lange tijd uitkeek over het grijze water. Verdoofd stond hij op. Daar op de trappen liet hij zijn rugzak achter.

 

De laatste adem die geen adem is. Langzaam voelt hij zijn longen volglijden met het koude water. Het is minder erg dan hij had verwacht. Hij is zich bewust van de luchtbellen die hij uitblaast. Zijn lichaam tintelt. Acceptatie. Hij laat zich meevoeren met het water en valt.

 

Ik schreef dit verhaal omdat dit verhaal enorm indruk op mij maakte. Opdat we Pateh Sabally nooit zullen vergeten en we er alles aan doen om ervoor te zorgen dat de bewoners in Afrika een kans krijgen om daar een leven op te bouwen. Een project dat ik zelf steun, is Malayaka House, een weeshuis in Uganda dat als enige doel heeft dat ieder weeskind later op eigen benen kan staan, daar in Uganda. Voor meer informatie zie www.malayakahouse.org

MIJN OMA UIT DE PERENSTRAAT

Op de trap naar haar portiek, blaas ik wolkjes adem uit. Ik bel aan en hoor hoe het touwtje dat aan het slot vast zit, wordt aangetrokken. De deur zwaait open en mijn zusjes en ik lopen de lange trap op naar boven, naar drie hoog, honderdzesenzestig III hoog, ik weet het precies. 

Zoals vertrouwd staat mijn tengere oma bovenaan de trap, haar smalle lippen vormen meestal een dun streepje maar laten nu een voorzichtig lachje zien, haar donkere ogen twinkelen achter haar gebrilde leesglazen. 

Ze heeft altijd een mooie jurk aan, het bijpassend dunne ceintuur strak gebonden om haar smalle middel. Ze draagt schoenen met een ronde neus, een kleine hak en een riempje met een gesp.

Terwijl ik naar boven loop, ruik ik haar tomatensoep. Iedere zondagmorgen trekt ze  deze soep op een gasstelletje in de keuken, die ze tot onze komst laat sudderen. In de gang is het net zo koud als buiten en word ik van de geur van de soep hongerig. 

De deur naar de huiskamer gaat open, binnen loeien de twee gaskachels, buiten en binnen is een wereld van verschil. 'T Beste ligt al op mijn vader te wachten op het ronde tafeltje naast zijn stoel in de achterkamer. 

'Papa komt zo,' zeg ik. 'Hij is bezig met parkeren.'

Snel gaat ze in de weer met de kopjes. De deur naar de hal gaat weer open en ik volg haar naar de keuken. 

'Wil jij draaien?' vraagt ze. 

Ik knik en begin aan de hendel van de koffiemolen te draaien, die aan de kast bevestigd is. Als het bakje vol zit, schuif ik het er voorzichtig af. Maar nooit kan ik voorkomen dat ik wat koffie op het grijs-granieten aanrechtblad mors. Ik kijk haar aan, ze heeft het gelukkig niet gemerkt. Dat zou ik zielig voor haar vinden, mijn oma heeft de oorlog meegemaakt en is heel zuinig. Ik veeg het weg met mijn mouw. Ze gooit de vers gemalen koffie in de koffiefilter. 

'Een schepje Buisman?' 

Ik knik en automatisch schuif ik het gordijn dat voor het keukenkastje hangt opzij en pak het blikje van de plank. 

'Een schepje is genoeg,' daarna gooit ze het kokende water in de koffiefilter. Langzaam druppelt de koffie in de koffiekan, waarvan de geur zich vermengt met de sterke tomatenbouillon die achter ons staat te pruttelen.

'Van de week was tante Ida uit Delft hier,' zegt ze tegen mijn vader. 'Ze deed in de spaarpotjes van de kinderen een riks.' Tante Ida is haar zus. Twee keer per jaar gaat ze met haar naar Delft om haar jurken te kopen.

Mijn vader knikt en leest verder in 't Beste terwijl mijn oma een borduurwerkje om handen heeft. Af en toe zegt ze iets en mompelt mijn vader iets terug. Mijn zusjes en ik mogen niet in dezelfde kamer zitten als mijn vader en mijn oma. Zij zitten in de achterkamer en wij in de voorkamer. 

Mijn oma is lief. Ze legt altijd een puzzel voor ons klaar en een borduurwerkje. We mogen mijn vader dan niet storen. Hij heeft heel druk werk en hij heeft rust nodig, zegt mijn oma.

Hoewel ze klein van stuk is, is ze oersterk. Ze draagt al haar boodschappen zelf de trappen op. Ze heeft geen makkelijk leven gehad. Toen haar moeder stierf, was zij de oudste van een boerengezin en moest zij van school en moest zij voor het huishouden zorgen. Later werd ze verpleegster. Mijn joviale opa die bij haar in het ziekenhuis lag, werd op slag verliefd op haar. Ik denk vanwege haar prachtige donkere amandelvormige ogen.

Tijdens de oorlog verloor mijn oma een kind. Hij was toen nog maar drie jaar. Jaapje heette hij, het jongere broertje van mijn vader. Thuis mocht er nooit meer over hem gesproken worden. Ik wist zeker dat dat de reden was dat mijn oma altijd een beetje treurig keek. Ook al kreeg ze in totaal vier kinderen. En kreeg ze nog een jongetje, die weer Jaapje heette want dat wilde mijn opa graag.

Mijn oma verzamelde cactussen. Ze had cactussen in alle vormen en maten. In de achterkamer had mijn vader plankjes tussen de raamkozijnen getimmerd. Hierop stonden kleine cactussen in oranje en paarse plastic potjes. Het waren er wel honderd en ze moesten vaak afgestoft worden. Dat was een heel werk. Gelukkig hoefden ze niet al teveel water. 

In de voorkamer had mijn oma de grote cactussen staan. Er was er ook een uit Spanje bij, die wij voor haar mee hadden gebracht. Mijn moeder had ze tussen haar onderbroeken in haar koffer gestopt. Ze zweerde dat ze er jaren later nog steeds last van had.

Ook verzamelde mijn oma postzegels. Dat deed ze niet voor zichzelf. Nee, dat deed ze voor ons. Iedere maand kocht ze weer nieuwe Nederlandse zegels, die in een doorzichtig zakje zaten. Die moesten we er dan heel voorzichtig uithalen. Dat deed je met een pincet. Daarna deed je de nieuwe zegels in je eigen postzegel verzamelalbum. Ik had een felrode met een gouden posthoorn erop. De postzegels legde ik op volgorde van waarde. Het was een heel nauwkeurig werkje en ik deed vreselijk mijn best om ze zo mooi mogelijk in de richel te schuiven.

Ik snijd de oude kaas in blokjes, ik gooi een handjevol in de soep. Langzaam zie ik de kaas zacht worden. Mijn oma pakt een zakje uit de kast. Ik weet, dat zijn de balletjes voor in de soep. Deze balletjes vind ik het allerlekkerste. Ze gaan klein de soep in en in de soep worden ze groot.

Als we soep krijgen, gaan we bijna weer naar huis. Dan heeft mijn vader 't Beste uit en gaat hij uitgerust weer naar mijn moeder toe. Oma geeft ons altijd alledrie een gulden. De spaarpot blijft bij haar. 'Voor later,' zegt ze. Ze kijkt heel blij. 

BUURMEISJE

'Mark!' Ze staat voor me, het buurmeisje van vroeger. Het buurmeisje waar ik een heimelijke relatie mee had. Zo heimelijk dat ze er zelf geen weet van had. Als zij naar boven ging, ging ik ook naar boven.  Als zij het licht aan deed en haar rolgordijn naar beneden liet, deed ik het licht uit.

Elke avond zag ik hoe zij zich van haar kleding ontdeed. Hoger dan zij, ontwaarde ik de vage schaduwen in het rolgordijn, die toebehoorden aan haar avondritueel. Slechts vier passen verwijderd van de ruimte, waar ze zich veilig waande.

Het gloednieuwe kantelraam dat boven haar bad was aangebracht, reflecteerde haar vormen in de spiegel die aan de wand bevestigd zat. Gedurende enkele seconden kon ik naar haar kijken totdat haar spiegelbeeld besloeg. Wat niet gaf; onuitwisbaar stond ze in mijn geheugen gegrift. Het iets oudere buurmeisje dat onder mijn toeziend oog uitgroeide tot een jonge vrouw...  Het beeld dat ik van haar heb, is onlosmakelijk verbonden met mijn jeugdherinneringen.

 Een grijze dag in januari op de markt.

Ze zegt iets en ik zeg iets terug. Ze moet een jaar of vijfenveertig zijn nu. Ze is kleiner dan ik me herinner. Haar lichtbruine haren zijn vochtig van de miezelregen, strengen plakken in haar gezicht. Van haar linker voortand is een stukje afgebrokkeld. Ze wrijft haar handen tegen elkaar. Ondanks de dik gewatteerde jas, die door een dun ceintuur bijeengebonden zit, heeft ze het koud.

'Verpleegster in Oranjestaete. Ik herinner je je vader nog. Die was ook nog even bij ons. Helaas...

En jij?'

'Journalist, freelance.'

'Heb je zin om iets te gaan drinken?'

Dit is wel het laatste dat ik voor ogen heb.  

'Een andere keer, maar dan?' aarzelend kijkt ze me aan.

We nemen afscheid. Ze geeft me twee stevige kussen. Als ik mij omdraai en bij haar wegloop, fluistert ze: 'Je keek altijd naar mij.'

 Ik doe net alsof ik niets hoor en loop door.

 

 

AIRBNB BAD & BREAKFAST

 

De zoete indringende geur van wiet krinkelt in de tuin van mijn buurman omhoog en bereikt mijn erf, mijn neus. Ik probeer net te doen alsof ik het niet ruik, alsof er niets aan de hand is en leg mijn hoofd weer op het ligbed. Joël heeft nergens last van. IJverig stopt hij voor de zoveelste maal het zand in zijn graafmachine en vult vervolgens de felgekleurde plastic vormpjes.

Af en toe verstommen de gesprekken hier zo vlak naast mij. Af en toe hoor ik hun grove lachen, hun grappen en andere uitingen.

Een uur geleden deed Joël voor hen open. Of wij de sleutel van hun huis hadden? Ik loog en gaf ontkennend antwoord, voordat ik het wist stond het zestal in mijn tuin en klom het bij mij over de schutting. Het hinderde niet dat ik de sleutel niet had, ze hadden de achterdeuren open laten staan.

Een aantal had rood doorlopen ogen van de drank, de joints en het slaapgebrek en vond alleen zijn weg over de schutting met behulp van de anderen.

De stank is niet te harden en ik vraag me af of dit nog wel verantwoord is voor mij of in ieder geval voor mijn driejarige kleuter. Misschien wordt hij ook wel zo en kan hij er maar beter aan wennen, denk ik cynisch. Maar tegelijkertijd pak ik hem op uit de zandbak.

‘Kom, gaan we samen televisie kijken,’ zeg ik. Hij kijkt me verbaasd aan. Vlug doe ik de deuren naar de tuin dicht en sluit ik de gordijnen voor het verblindende zonlicht.

Middenin de nacht word ik wakker van het harde gedreun op mijn voordeur. Ik knijp mijn ogen dicht en trek mijn dekbed over mijn hoofd. Het is hier alleen veel te warm voor.

'Kutwijf', hoor ik, 'stoephoer...’ Het raam staat open en ik hoor de woorden over straat galmen. Ze lachen hard, de brievenbus kleppert, nog een keer gebonk en gelach, daarna laten ze mij met rust.

De volgende morgen durf ik mij pas naar de voordeur te begeven als het licht is en er al een aantal mensen in de straat loopt. Hun pisgeur komt mij in de hal al tegemoet. Ze hebben het voor elkaar gekregen om mijn gang te bevuilen met hun vieze gore donkergele urine. Tranen springen in mijn ogen.

De politie bellen heeft geen zin. Ze zijn een keer langs geweest toen de overlast niet meer te houden was. De situatie escaleerde toen ze met tien rolkoffers het huis bezetten; het huis van mijn buurman is slechts voor vier personen ingericht. Tot vier uur 's nachts stond de muziek vol aan. Tien grote dronken opgeschoten jongeren, tuindeuren open en hun uitwerpselen in het portiek. Tegen de tijd dat de politie gearriveerd was, lagen ze in diepe rust.

‘We kunnen er alleen iets tegen doen als we bewijs hebben.’ Het excrement dat in ons portiek lag, kon immers van iedereen zijn.

Driftig begin ik mijn gang te soppen. Ik woon hier nog maar een jaar. Huis gekocht, verbouwd, veel zelf gedaan ook. Zo trots als een pauw was ik. Totdat mijn nieuwe buurman zich een half jaar geleden aan mij voorstelde. Een pied-à-terre, zo stelde hij het zich voor. Hij zou er niet zo vaak zijn. Of ik een oogje in het zeil kon houden voor het geval dat. Ik wierp een blik op zijn visitekaartje. Hans, vastgoedondernemer, woonachtig in New York.

Ik heb hem niet meer gezien, diverse malen bij hem ingesproken, hem gemaild echter niets meer gehoord.

Klachten ingediend bij Airbnb Inc, politie en gemeente. ‘We nemen uw klacht serieus en zullen deze onderzoeken.’ Ik werd van het kastje naar de muur gestuurd om vervolgens met lede ogen aan te zien dat de volgende bezoekers zich weer aandienden. Het had allemaal totaal geen zin.

Wanhopig maak ik de voordeur met een schuurmiddel schoon. Mijn buurman heeft de wettelijke verhuurtermijn van zestig dagen al lang bereikt. 175 Euro per dag vraagt hij, dat is meestal 17,50 per persoon. Mijn geluk heeft precies een half jaar geduurd…

Ik loop door mijn gang terug naar de keuken en mijn tuin op het zuiden. Het appartement in de Amsterdamse Rivierenbuurt waar ik ooit op slag verliefd op werd. Beter had ik het niet kunnen treffen, dacht ik toen. Ik zie mijn zoontje gelukzalig spelen op de rand van de zandbak. Hij kliedert met water en maakt hopen met modder.

Met een kop koffie loop ik naar buiten. Het is de start van een welverdiende vakantie en de weersberichten voorspellen niets dan goeds. De verbouwing kostte mij mijn laatste centen. Dit jaar vieren we thuis mijn verlof.

Mijn zoontje kijkt mij triomfantelijk aan. Nog een keer harkt hij door de geelgekleurde klodderige brei, die middenin zijn zandbak ligt.

'Stinkt', zegt hij vrolijk.

Mijn glimlach verstijft.

‘Kom, dan verkleden we ons en gaan we naar het Amstelpark, daar is je vader ook. Je mag dit weekend met hem mee.’ Ik ontdoe hem van zijn pyjama, die ik achter zijn rug om direct in de vuilnisbak gooi.

Aan het begin van de avond blijft het tamelijk rustig. Om een uur of elf begint alles weer van voren af aan. De tuindeuren gaan open, de bekende zoete weeïge geur, de luide lachsalvo’s vermengen zich met de harde muziek. Ik sta middenin mijn tuin en kan alleen maar voor mij uit staren.

Langzaam loop ik naar binnen en sluit beide deuren. Ik durf ze niet open te laten, zoals vorige zomer. Binnen wordt het snikheet.

Rond zeven uur 's morgens verstommen de geluiden. Twee keer hoor ik nog een deur slaan. Het gerinkel van glas op het terras, bierflessen die zo ver mogelijk de tuin in gemikt worden. Weer gelach, het slot van de  tuindeuren wordt omgedraaid, daarna is het stil.

Als ik zeker weet dat ze weer in comateuze toestand geraken, doe ik mijn voordeur voorzichtig open. Met mijn rechterhand pak ik de sleutel van de buurman van de haak. ‘Je weet maar nooit,’ zei Hans, ‘in geval van nood.’ Die zak gaf me nog een knipoog. Nu ben ik hem dankbaar.

De deur gaat gemakkelijk open en ik stap voorzichtig over een aantal schoenen en teenslippers, die her en der in de gang verspreid liggen. Een onbeschrijfelijke stank komt mij tegemoet. Als er een zelfstandig naamwoord voor ranzig zou bestaan, zou dit het enigszins kunnen benaderen. Voor deze stank bestaan geen woorden. Op mijn tenen loop ik naar de keuken en doe het raam daar dicht.

Alles wat hier staat, is van IKEA; ik was een half jaar geleden zelf getuige van het feit dat de montagedienst de meubels binnenbracht. De platen die aan de muren hangen, zoals de rode fiets tegen de brug aan de Amsterdamse gracht, zijn ook vreselijk herkenbaar.

Ik inspecteer de kamer, vier grote lijven op de banken, op de vloer. Een van hen ligt in zijn eigen braaksel, het heeft dezelfde kleur en dezelfde substantie als ik vanmorgen in de zandbak van mijn zoontje aantrof...

De rest van hen ligt vermoedelijk boven. Op mijn tenen loop ik de trap op. Nadat ik daar alle ramen open heb gezet, ga ik weer naar beneden. Ik steek een sigaret aan, ‘de laatste’ denk ik grimmig; het lijkt me wel toepasselijk. Ik neem een paar flinke trekken, op een of andere manier kalmeert het roken me, vervolgens leg ik de brandende sigaret op de poef. Het grote voordeel van dit soort goedkope meubelen is dat de gassen die bij verhitting vrijkomen niet alleen snel ontvlambaar en licht explosief zijn, maar vooral ook zeer giftig. Vanuit de deuropening zie ik dat de sigaret zijn werk doet. Dit gaat inderdaad niet lang meer duren, hooguit drie minuten schat ik.

Toe aan een sterke bak koffie trek ik even later de voordeur geruisloos achter mij dicht